2026 is een feestjaar voor Willy Coene. Hij viert dit jaar niet alleen 60 jaar huwelijk, maar ook de 50e verjaardag van een museum waaraan hij zelf hielp bouwen.

"Eind de jaren 1960 botste ik op een oproep van de gemeente Oostduinkerke", vertelt Willy die al 58 jaar woont in de Artanstraat - samen met zijn echtgenote, 'juffrouw' Jeannine.

"Ze zochten iemand voor administratief werk." En zo begon het, want nadat hij slaagde voor zijn examen werd Willy aangesteld door het schepencollege onder leiding van Honoré Loones.

"Eerst deed ik de nodige ervaring op onder leiding van ingenieur Vandenberghe, maar toen hij plots overleed, nam ik de fakkel over en werd ik diensthoofd van de Technische dienst. Ik volgde onder meer de vergunningen, bouwaanvragen en het beheer van de verkavelingsplannen op."

Vissershuisje als voorloper

Oostduinkerke smachtte naar een eigen visserijmuseum, maar door o.a. de administratieve lijdensweg was er sinds de eerstesteenlegging in 1963 niet veel gebeurd. Dat veranderde toen Willy in 1968 de opdracht kreeg om een visserswoning te bouwen. "De burgemeester wilde geen tijd meer verliezen en ging op zoek naar een modelwoning. Zijn oog viel op het vissershuisje van de familie Hiele, langs de Pylyserlaan. Ik moest het huis gedetailleerd opmeten en uittekenen."

"De burgemeester wilde geen tijd meer verliezen en ging op zoek naar een modelwoning. Zijn oog viel op het vissershuisje van de familie Hiele, langs de Pylyserlaan. Ik moest het huis gedetailleerd opmeten en uittekenen."

De werken startten begin 1970.

"Een jaar later waren we klaar. We gebruikten zoveel mogelijk oude materialen zoals dakpannen, tegels en oude bakstenen van 2 onteigende vissershuisjes in de Doornpanne."

De inrichting is nog altijd waarheidsgetrouw: de woonruimte, stallingen, schuur, meubels, kachel. Je las er ook informatie over het visserijverleden, hoe het leven toen was. Professioneel was het een drukke periode, tijdens diezelfde periode werd Wulpen bij Oostduinkerke gevoegd en verstrengden de vergunningsnormen voor grote mazouttanks.

Estaminet, galerijen en visserijfolklore

Kort na de opening van het vissershuisje bouwde de gemeente Oostduinkerke een café, later gevolgd door het open kookhuis met fornuis. Daar kon paardenvisser Maurice Denecker zijn vangst bereiden en zijn ambacht tonen aan het publiek.

"Maurice was niet alleen een ervaren paardenvisser, maar ook een geboren verteller. Met zijn anekdotes wist hij bezoekers te boeien. Hij besefte al snel dat de inkomsten uit het café nodig waren om de garnaalvisserij rendabel te houden. Andere paardenvissers volgden zijn voorbeeld. Zo baatte 'Mang' Vanbillemont jarenlang In de Zoete Inval uit."

Die combinatie van vissershuisje, café en levende visserstraditie groeide al snel uit tot een echte publiekstrekker. Door administratieve problemen vond de 1e tentoonstelling helaas pas plaats in 1974.

"Eerst deed ik de nodige ervaring op onder leiding van ingenieur Vandenberghe, maar toen hij plots overleed, nam ik de fakkel over en werd ik diensthoofd van de Technische dienst."

"Rond de gemeentefusie (1976-1977) volgde dan de echte doorbraak met de officiële opening. Eerst van het Nationaal Visserijmuseum en 'de galerijen' – die hingen vol met waardevolle visserijkunst, gevolgd door 'het estaminet'.

Gaston Desnerck, de eerste conservator, bouwde een mooie reeks modellen van historische Vlaamse vissersvaartuigen. Intussen breidde ook de kunstcollectie uit, met werken van Louis Artan, Edgard Farasijn, Albert Crahay, Aloïs Boudry.

Ook voormalig conservator Willem Lanszweert groeide uit tot een spilfiguur. Hij publiceerde over de visserij en speelde een belangrijke rol binnen modelbouwclub De Dissel en de Vrienden van het Nationaal Visserijmuseum. De kroon op zijn werk was ongetwijfeld het project 'het zeil wordt in de top gezet', de tweede uitbreiding en herinrichting van het museum tussen 2004 en 2008.

"Tijdens diezelfde periode lanceerde Honoré Loones de visserijfolkloreavonden. Hij stuurde me zelfs nog naar de markt van Veurne om die (nog steeds) herkenbare witte tentjes te halen. Die eerste edities waren legendarisch, met bijna uitsluitend 'echte' Oostduinkerkenaars."

Een beeld van de folkoreavonden in de vroege jaren 80.

Na de fusie

De bestuursploegen van het samengevoegde Koksijde bleven investeren in het museum dat bleef groeien. "Dewulf en Vanden Bussche maakten het werk van Honoré (en later zoon Jan) Loones af - Sander als burgemeester maakt de cirkel rond. Zijn grootvader zou versteld staan van de evolutie die de plek heeft doorgemaakt."

"Natuurlijk ben ik trots dat ik deel uitmaak van die ontstaansgeschiedenis", besluit Willy. "Ik zou graag enkele mensen vermelden die veel betekenden in dit verhaal: naast Honoré Loones, schepen Georges Dorné en Marcel Dujardein die mee aan het hoofd stond van 50 stielmannen. Ook na de fusie was het aangenaam werken. Ik wil niemand vergeten, maar ik denk aan ingenieur Morel, Marc Villé, Kurt Bogaert en Ides Leys."